De martelaar

Op de 21e verdieping van het hoge kantoorgebouw stapte hij uit de lift. Bij de kantoortuin linksaf en dan de gang doorlopen tot de receptie waar hij zich moest melden, aldus de gastvrouw op de begane grond. Zijn zenuwen namen toe, maar hij haalde diep adem en liep verder. Hij had de zwetende, dikke man niet gezien. Bij de ingang van de kantoortuin botste hij hard tegen hem aan. Voor zijn hersenen het geluid van de explosie konden registreren, rukte de drukgolf zijn ledematen af en maakte abrupt een eind aan zijn leven.

Abdul El Azouzi wreef over zijn gezicht. Het voelde onnatuurlijk glad aan en hij miste de lange baard. Hij knielde op het matje en bad tot Allah om kracht, wijsheid en vergeving. De djellaba liet hij in de kast hangen. In plaats daarvan trok hij het maatpak aan, terwijl hij nog een keer oefende. ‘Aangenaam, ik ben Dimitri Jansma.’ Met dit alias transformeerde hij in de zoon van een Franse moeder en een Nederlandse vader. Hij was er niet trots op, maar deed het voor Fahima en de kinderen.

Het gekerm van de gewonden vermengde zich met de hoge, snerpende tonen van het ontruimingsalarm. Papiersnippers dwarrelden door de gang, tot de blusinstallatie in werking trad. Water uit de sprinklers deed het stof neerdalen en doofde verschillende kleine brandjes. De hulpverlening kwam snel op gang en na enkele uren werd de plaats delict vrijgegeven voor de forensische recherche. Onder het verbrande torso van een slachtoffer vonden ze een half gesmolten bezoekerspas. Alleen de voornaam was nog leesbaar: Dimitri. Een onderzoeker noteerde de naam en stopte de pas voorzichtig in een plastic zak.

Met vier kinderen was de flat te klein, maar daar kwam binnenkort verandering in. Na tijden van werkloosheid en slecht betaalde schoonmaakbaantjes zouden ze hem voor deze functie aannemen en konden Fahima en hij op zoek naar een echt huis. Jarenlang had hij gezwoegd voor zijn deeltijdstudie bedrijfseconomie. Dit sollicitatiegesprek was de ultieme beloning. Later zouden ze zijn valse naam wel begrijpen. Toch? Als Abdul El Azouzi hadden ze hem nooit uitgenodigd, maar nu kreeg hij tenminste een eerlijke kans.

Voor de slachtoffers waren geborgen, berichtten de media al over een terroristische aanslag. Islamitische Staat had de verantwoordelijkheid nog niet opgeëist, maar dat was een kwestie van tijd. Toch bleef een bekentenis uit. De recherche wist ook dat die niet zou volgen. Op camerabeelden zagen ze dat het een blanke man met blond haar was geweest. Uit het onderzoek bleek dat het ging om Maarten Berendsen. Volslank, verlegen en een bron van vermaak voor zijn genadeloze collega’s. Hij activeerde net de bom in zijn rugtas op het moment dat Abdul tegen hem aanbotste, maar dat besloten de rechercheurs stil te houden. In deze tijden van oorlog was onrust binnen de eigen gelederen niet wenselijk, dus lekten ze onderzoeksresultaten naar de media. Selectief en doelbewust.

Abdul El Azouzi, een ideale naam voor een martelaar, dacht de onderzoeksleider en resoluut sloot hij het dossier.